Schotland's erfgoed


De oorsprong van de naam

Wat wel zeker is, is de naam die de Kelten voor hun distillaat bedacht hadden "Uisge beatha" (spreek uit als "Oeshkie beja"), Gaelic voor "The water of life". De Kelten beschouwden deze drank als niets minder dan een godsgeschenk, want het wondermiddel deed hun vermoeide lichamen herleven en verdreef de boze geesten.

De soldaten van Henry II waren bij hun allereerste bezoek aan Ierland in de 1170 sterk onder de indruk van uisge beatha, wat snel verbasterd werd tot "ish'ke ba'ha" wat in de 17de eeuw werd afgekort tot "Uiskie" en in 1715 tot "Whiskie". De huidige spelling "Whisky" komen we pas tegen in 1736.

De eerste verwijzing naar het maken van wat wij Schotse whisky noemen, dateert van 1494. Er wordt geschreven dat een zekere broeder John Cor van de abdij van Lindores bij Newburgh acht bolts mout kocht (508 kg), waarmee hij 35 kistjes kon produceren (400 flessen). Uiteraard werd al langer whisky gemaakt, maar deze verwijzing in de boekhouding van de Schotse schatkist is tot vandaag de oudste officiële registratie. Thuis whisky stoken, wat wettelijk was toegestaan, hoorde bij het Schotse boerenleven. In de zomer hielden de boeren vee en verbouwden gerst, waarmee ze hun vee 's winters konden voeden. Wat er aan gerst overbleef, werd gebruikt om een alcoholische drank van te maken voor koude tijden.

Accijnsheffing

In de 16e en 17e eeuw was whisky de Schotse nationale drank geworden. De toename van de whiskyproductie bracht het Schotse parlement in 1644 op het idee om een wet in te voeren om accijns te kunnen heffen op alcoholische dranken. Na de restauratie van de Stuarts in 1660 raakte de accijnsheffing wat in het ongerede, gedeeltelijk omdat het innen van de belasting een lastige taak was, omdat er veel distilleerderijen in moeilijk toegankelijke oorden lagen, zoals de Highlands en de barre eilanden.

In 1707, toen Schotland onder de Engelse wetgeving viel, "The Act of Union", begon men echt moeite te doen om de whiskyproductie te beheersen. De dienst der accijnzen begon de heffing van accijnzen op whisky als één van zijn hoofddoelen te maken. De ene wet na de andere werd ingevoerd en de situatie werd zeer ondoorzichtig omdat distilleerderijen volgens allerlei berekeningen zeer uiteenlopend werden belast.

In 1713 besloot het Britse parlement op instigatie van deze dienst belasting te gaan heffen op mout. Dit was dus een belasting op de grondstof, niet over het eindproduct en men nam aan dat zo'n belasting minder moeilijk te innen zou zijn. Maar de wet van 1713 bevorderde meer dan welke bepaling, akte, wet of heffing ook, het illegaal stoken. In de loop van de tweede helft van de 18e eeuw namen de accijnzen op whisky toe van een redelijke te dragen tot een vrijwel niet te torsen financiële last.

De illegale distilleerderijen

De illegale distilleerderijen floreerden vooral in de woeste Highlands. De plaatselijke bevolking beschouwde whisky als de nationale drank en het clandestien stoken, romantisch "Moonshining" genoemd, was een algemeen geaccepteerde bezigheid. Toenemende belastingdruk maakt het clandestien stoken alleen maar aantrekkelijker. De legale distilleerders klaagden over de concurrentie uit de Higlands, wat ertoe leidde dat het onder druk gezette parlement een voor de Lowlands gunstiger systeem van accijnzen invoerde. Dit had geen succes en wetten uit 1786 en 1788 maakten de situatie alleen maar erger.

Het einde van de 18e en het begin van de 19e eeuw vormen het romantische tijdperk van de whisky. Een tijdperk gekenmerkt door de strijd tussen smokkelaars en douaniers, terwijl de weinige legale distillateurs er ergens tussen in stonden. Zo wordt aangenomen dat in 1820 de meerderheid van de Schotse whisky belastingsvrij werd verkocht en dat ondanks het feit dat jaarlijks tot 14.000 illegale stills in beslag werden genomen. Bij de overheid begon langzaam het besef door te dringen dat deze toestand niet langer houdbaar was.

In Schotland dronk de aristocratie rode bordeaux en cognac, terwijl de rest van de bevolking in de greep van de whisky was. Van de wieg tot het graf speelde whisky een vitale rol in het dagelijks leven van de Schotten. Pas geboren kinderen kregen vaak een lepeltje whisky toegediend om te kijken of zij sterk genoeg waren om dit leven aan te kunnen, terwijl geen begrafenis het zonder whisky drinkende dodenwake kon stellen.

The Excise Act

In 1823 kwam er een wet "The Excise Act" waardoor de distillatie legaal werd als men een vergunning van 10 pond betaalde en meer dan 40 Amerikaanse gallons per jaar produceerde. De nieuwe wet was grotendeels het werk van de vierde hertog van Gordon, één van Groot-Brittannië's rijkste grootgrondbezitters die uitgestrekte landerijen bezat in Invernesshire en Banffshire. Twee van de belangrijkste whisky graafschappen.

Doordat de productie werd gelegaliseerd kwam de officiële Schotse whisky productie dan eigenlijk goed op gang. Er werden permanente distilleerderijen gebouwd, wat leidde tot verbetering van de kwaliteit van het eindproduct. Nog heel veel distilleerderijen bevinden zich op de plaatsen waar ooit smokkelaars aan de slag waren.

De eerste distilleerderij die een vergunning kreeg, was The Glenlivit(1824), op de voet gevolgd door onder andere Cardhu, The Glendronach, Old Fettercairn en The Macallan. De eerste commerciële distilleerderijen dateren van eind 18e eeuw, zoals Littlemill (1772), Bowmore (1779), Highland Park (1798), en Tobermory (1795). Natuurlijk betekende dit niet het einde van de illegale distilleerders. Ook nu nog worden er kleine hoeveelheden "Moonshine" gestookt. Maar het aantal clandestiene distilleerderijen daalde over een periode van twintig, dertig jaar drastisch. Er werd minder gesmokkeld en de officiële distilleerders en handelaren, de mensen die aan het begin stonden van de moderne whiskyindustrie, werden steeds belangrijker.

In de 19de eeuw zette de Schotse whisky zijn onstuitbare opmars over de wereld verder. Twee belangrijke gebeurtenissen droegen daar meer dan hun steentje bij. Vooreerst vond Aeneas Coffey in 1831 de naar hem genoemde Coffee Still (ook bekend als Patent Still) uit. Coffey maakte het mogelijk een proces van continue distillatie te verzekeren, wat leidde tot de productie van graanwhisky. Vervolgens brak in Frankrijk in 1863 er een ramp uit, de phylloxera vernietigde alle wijngaarden. In 1879 was er van de meeste wijngaarden in Europa niets meer over. De productie van wijn en cognac lag stil. De klanten moesten hun drank elders zoeken en vonden die dicht bij huis.

In Edinburgh was Adrian Usher al een tijdje aan het experimenteren met het mengen (blenden) van whisky. Het resultaat was een lichtere populairdere drank. In deze periode werden vele nieuwe distilleerderijen gebouwd, zoals, Benriach (1898), The Balvenie (1892) en Dufftown (1896). In 1898 was het ineens uit met de winstgevende verkoopcijfers toen Pattisons, een beroemde blenderij, failliet ging. Het faillissement had ernstige gevolgen voor de whiskybranche. Te hoge uitgaven en een algemene teruggang in het economisch klimaat leidden tot de sluiting van veel distilleerderijen.

De drooglegging & Tweede Wereldoorlog


In de twintigste eeuw profiteerde de Schotse whisky in hoge mate van de Prohibition (drooglegging) in Amerika. Bij het begin daarvan in 1920 konden de plaatselijke producenten geen regelmatig aanbod van zuivere whisky aanbieden en hun Schotse collega's die de hele Drooglegging door wel illegaal hadden geleverd, stonden klaar om aan de massale vraag tegemoet te komen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog leerden de Amerikaanse soldaten op het Europese vasteland de Schotse whisky pas goed kennen en ze waren de vurigste pleitbezorgers in eigen land. Sinds de Tweede Wereldoorlog moest de Schotse whisky (en vooral de populaire blends) overal opboksen tegen handelsembargo's, economische crisissen en depressies. Pas in 1963 kwamen de single malts weer in de belangstelling. Enkele bedrijven, met name William Grant & Sons, dat behoorlijk investeerde in The Glenfidich, begonnen hun single malts agressief op de markt te prijzen. Vanwege de grootschalige productie en hoge arbeids- en marketingskosten konden veel distilleerderijen het niet langer alleen bolwerken.Door zich te groeperen, bijvoorbeeld in "United Distillers", konden ze hun werk voortzetten.


Verscheidene bedrijven die als eigenaars worden opgevoerd, zijn zelf dochtermaatschappijen van andere bedrijven of conglomeraten.

  • The Chivas & Glenlivet Group, is eigendom van Pernod Ricard SA
  • Morrison Bowmore, is eigendom van Suntory uit Japan.
  • United Distillers & Vintners, is eigendom van Diageo.
  • The White & Mackay Group is eigendom van Jim Beam Brands (Worldwide) Inc.

Dankzij de hernieuwde belangstelling voor malt whisky in de afgelopen jaren zijn sommige ondernemers weer voor zichzelf begonnen en komen er weer meer onafhankelijke distilleerderijen.





Referentiedocumenten

  1. Malt whisky - Charles MacLean- Uitgeverij Bosch & Keuning - ISBN 90 246 042 73
  2. "Whisky" - Bob Minnekeer - Stefaan Van Laere - Lannoo/Schuyt & co - ISBN 90 209 3452 X
  3. "Whisky" - Helen Arthur – Librero - ISBN 97 818 092 3629
  4. "Jenever, een Belgische belevenis" - Ronald Ferket en Hugo Elsemans - Uitgeverij Project Antwerpen - ISBN 90 5078 002 4
  5. "Jenever in lage landen" - Eric Van Schoonenberghe - Stichting Kunstboek - ISBN 97 890 743 7430
  6. "Spectrum Drankatlas, de wereld van het gedistilleerd" - Tony Lord - Uitgeverij Het Spectrum - ISBN 90 274 8947 5